1606 - Impact Assessment of the Bio-Based Economy
Agenda

1606 – Impact Assessment of the Bio-Based Economy

Projecttitel: Impact Assessment of the Bio-Based Economy
Projectnummer: BBE-1606
Looptijd: 2017 – 2021
Budget publiek: € 615.000
Budget privaat: € 68.000
Projectleider: Martin Junginger
Betrokken partijen: Akzo Nobel, Avantium, ECN, RWE, Staatsbosbeheer, Universiteit Utrecht


De Bio-Based Economy (BBE) kan niet alleen bijdragen aan nieuwe en milieuvriendelijkere materialen, maar ook aan een duurzame energievoorziening voor de circular economy (CE). De CE kan er verder voor zorgen dat we biologische grondstoffen op een efficiënte manier kunnen inzetten door recycling en cascadering. Verkeerd gebruik van biomassa kan echter ook tot toenemende broeikasgas emissies leiden. De  complexe interacties die een toename van het gebruik van biomassa in combinatie met het sluiten van koolstofcycli (in het kader van de CE) met zich mee zal brengen vraagt om een grondige toetsing van de fundamentele hypothese dat de BBE (nagenoeg) koolstofneutraal zal kunnen opereren.

Het doel van het ImABBE project is het kwantificeren van de gereduceerde broeikasgasemissies van de Nederlandse BBE tot 2030 en 2050 en het toetsen van de hypothese of de BBE (nagenoeg) koolstof-neutraal zal kunnen opereren, en een diepgaande en integrale analyse van achterliggende mechanismen, verbanden en trade-offs. En dergelijke analyse zal nieuwe kennis opleveren met betrekking tot de (nieuwe) structuren en dwarsverbanden tussen materiaal- en energiegebruik in de BBE, en helpen de achterliggende wetmatigheden beter te verklaren.

Het ImABBE project wordt gekenmerkt door

  • Focus op de Bio-based economy; met andere woorden: Productie van materialen en energie uit biomassa. De overige aspecten van de bio-economy, dat wil zeggen / primaire productie van veevoer en voedsel is buiten de scope (kan wel bijproduct zijn van biorefineries)
  • Focus op de korte termijn (2030) als ook de midden-lange termijn (2050). De geografische scope ligt primair op Nederland (wat betreft gebruik en conversie van biomassa), en met name een case studie met betrekking tot raffinage van lignocellulose in Noord-Nederland zal in samenwerking met de industriële partners RWE Generation NL B.V. (hierna te noemen : RWE) en Avantium in detail geanalyseerd worden . Wel zal rekening gehouden worden met het feit dat een significant gedeelte van de benodigde grondstoffen buiten Nederland geproduceerd zal worden (naar verwachting met name lignocellulose, plantaardige oliën en in mindere mate suiker/zetmeel agri-commodities). Dit zal ook voor de case studie van toepassing zijn.
  • Beperking van de analyse tot de (reductie van) broeikasgasemissies: Inbegrepen zijn hierbij onder andere de directe emissies in de keten zoals fossiele inputs voor de productie van kunstmest, diesel voor transport, processtoom etc. (klassieke levenscyclusanalyse, LCA), emissies door directe (en evt. indirecte) landgebruiksveranderingen, de vermeden emissies door het vervangen van fossiele materialen en brandstoffen, de vermeden emissies door verhoogde/optimale niveau van cascadering, en de tijd tot dat de bio-based economy (deels) beter scoort dan in een variant zonder extra biomassa-input. Belangrijke aspecten zijn hierbij zijn onder andere:  i. ruimtelijke verdeling van emissies bij import van grondstoffen: welke emissies treden in Nederland op, welke elders (dit gegeven de verschillen in allocatieregels voor deze emissies); ii. er moet rekening gehouden worden met de ‘verblijftijd’ van biobased chemicaliën en materialen in het nationale systeem, en tot welke vermeden emissies het in de afvalfase leidt; iii. er moeten aannames gemaakt worden over de vraag of productie van biobased chemie additioneel is ten opzichte van fossiele referenties of dat ze dat ook echt vervangt.

Rapportages